| Wetenschappelijk onderzoek naar glucosamine | |
|
Er zijn vele wetenschappelijke studies gedaan naar de effecten van glucosamine, wel of niet in combinatie met chondroitine, bij artrose. De uitkomsten van deze studies zijn niet eenduidig. Dit is niet verwonderlijk gezien de enorme variatie in onder andere de onderzoekspopulatie, de looptijd van de studie, de dosering van glucosamine, de gebruikte uitkomstmaten, de inclusiecriteria van patiënten, de soort glucosamineverbinding die gebruikt is etc. In deze samenvatting worden de belangrijkste meta-analyses en enkele in het oog springende individuele studies besproken. Meta-analyses zijn studies waarbij alle voorafgaande onderzoeken naar een bepaald onderwerp nog eens onder de loep worden genomen en worden geëvalueerd.
Meta-analyses In de wetenschappelijke literatuur over het gebruik van glucosamine en chondroitine bij artrose zijn drie meta-analyses te vinden.1,2,3.
De eerste meta-analyse is in 2000 gepubliceerd in de Journal of the American Medical Association (JAMA) en analyseert vijftien dubbel-blinde, gerandomiseerde, placebo-gecontroleerde trials van minimaal vier weken lengte.1 Bij dergelijke trials worden de patiënten willekeurig (gerandomiseerd) in verschillende groepen ingedeeld waarvan een deel een behandeling met het onderzochte middel krijgt en een deel een nepmiddel (placebo). Zowel behandelaar als patiënt weten niet tot welke groep de patiënt behoort (dubbelblind). Deze analyse concludeert dat vele studies matige effecten van glucosamine en grote effecten van chondroitine laten zien. Echter er wordt gewezen op kwaliteitsproblemen en een publicatiebias (vooringenomenheid). De publicatiebias komt voort uit het selectief publiceren van positieve resultaten. Dit gebeurt onder andere wanneer studies worden uitgevoerd in opdracht van een producent. De kwaliteitsproblemen komen onder ander voort uit het feit dat kwalitatief minder goede studies de (gepubliceerde) effecten eerder zouden overdrijven. Ondanks deze kritiekpunten staat de JAMA studie positief tegenover het gebruik van glucosamine en chondroitine. Enerzijds omdat het veilige preparaten zijn, anderzijds achten de onderzoekers positieve effecten aannemelijk. Er wordt aangeraden meer onafhankelijk onderzoek te doen met hoge kwaliteitseisen. De European League Against Rheumatism (EULAR) besprak onder andere deze studie in de Annals of Rheumatoid Diseases. Zij zegt in deze en andere studies genoeg bewijs te zien voor de effectiviteit van glucosaminesulfaat en chondroitinesulfaat.11
In 2003 publiceerde de Archives of Internal Medicine een nieuwe meta-analyse over de effectiviteit van glucosaminesulfaat en chondroitinesulfaat op knie- of heupartrose.2 Vijftien studies voldeden aan de inclusiecriteria: gerandomiseerd, dubbel-blind, placebogecontroleerd. De studie toont onomstotelijk het positieve effect van zowel glucosamine als chondroitine op de symptomen van artrose aan. Pijn neemt aantoonbaar af na een behandeling van 90 dagen. De afbraak van het kraakbeen wordt significant geremd na drie jaar gebruik van glucosamine met een dosis van 1500 mg per dag. Daarnaast neemt het vernauwen van de ruimte in het kniegewricht aantoonbaar af door glucosaminegebruik. Het Geneesmiddelenbulletin twijfelt aan de pijnafname door glucosamine omdat patiënten andere pijnstillers mochten gebruiken tijdens de studie.7 De effecten van glucosamine en andere pijnstillers zouden hierdoor niet uit elkaar te halen zijn. Echter de onderzoekers tonen aan dat de pijnstillende effecten van glucosamine, chondroitine en NSAID’s (ontstekingsremmende pijnstillers) groter zijn dan die van een placebo plus NSAID’s. Daarnaast waren de doses NSAID’s laag, waardoor de effecten hiervan op de pijnstillende werking van glucosamine en chondroitine onwaarschijnlijk zijn.
In 2005 publiceerde de Cochrane Database (Towheed) een nieuwe meta-analyse.3 Uitsluitend studies naar de effecten van glucosamine werden bekeken, dus niet van glucosamine in combinatie met andere stoffen. Bovendien waren alle studies dubbel- of enkelblind uitgevoerd en werd er vergeleken met placebo of met andere pijnstillers. (bij een enkelblinde studie weet alleen de patiënt niet tot welke groep hij of zij behoort, de behandelaar weet dit wel) De studie wijst op grote verschillen in de kwaliteit van glucosaminepreparaten. Zo blijkt bijvoorbeeld de hoeveelheid glucosamine in preparaten lang niet altijd overeen te komen met wat er op de verpakking staat vermeld. Hoewel de conclusies van de auteurs voorzichtig geformuleerd zijn, geeft de discussie zeker een positief beeld van glucosamine als medicijn bij artrose. Ten eerste toont de studie een even groot effect van glucosamine aan als van NSAID’s. Glucosamine heeft echter veel minder bijwerkingen. Dit suggereert volgens de studie een significante doorbraak in de pharmacologische behandeling van artrose. Ten tweede worden de positieve resultaten van de meta-analyse uit 2003 in deze studie bevestigd. Ten derde worden een aantal mogelijke bijwerkingen van glucosamine bekeken, namelijk op de glucosehomeostase (bloedsuikerspiegel) en kans op arteriosclerose (aderverkalking). De onderzoekers concluderen dat er nog onvoldoende bewijs is. Tenslotte vindt deze meta-analyse klinisch bewijs voor een remmende werking van glucosamine op de afname van kraakbeen in de knie zoals waar te nemen is op röntgenfoto’s.
In 2007 verscheen een update van Towheed in de Journal of Rheumatology.4 Hierin zoekt hij naar een verklaringen voor de uiteenlopende uitkomsten van verschillende studies. Deze kunnen onder andere veroorzaakt worden door verschillen in proefpersonen, gemeten resultaten en de kwaliteit van de methodologie of door de mogelijke aanwezigheid van extra moleculen in de verschillende preparaten, hoewel dit niet is aangetoond. Meer dan de helft van de onderzochte studies in de meta-analyse van 2005 maakten gebruik van het merk Rotta (dat als medicijn is geregistreerd binnen de Europese Unie). De andere gebruikten andere, niet geregistreerde, merken die als voedingssupplement worden verkocht. Dit kan ook bijdragen aan de verschillende uitkomsten. Towheed pleit voor een standaardisatie in glucosaminepreparaten die voor therapeutische doeleinden worden aangewend en een duidelijker omschrijving van de gebruikte verbindingen. In verschillende in vitro (laboratorium) studies is onderzocht hoe glucosamine werkt op celniveau. Hierbij lijkt de werking vooral te berusten op het remmen van kraakbeenafbraak en minder op kraakbeenopbouw. Herstel van al beschadigd kraakbeen lijkt daarom onwaarschijnlijk. In deze studies zijn hoge concentraties glucosamine gebruikt, terwijl duidelijk is dat bij oraal gebruik (via de mond innemen) er relatief weinig glucosamine in het bloed terecht komt, zelfs als er hoge doses worden ingenomen. Ondanks dat dit vragen oproept over de werking van glucosamine moet er volgens Towheed niet uitgesloten worden dat het toch een therapeutisch effect kan hebben, bijvoorbeeld een ontstekingsremmende werking.
Studies Hieronder vindt u informatie over een aantal losse studies die vaak worden aangehaald.
De meest recente studie naar glucosamine is een studie van het Erasmus Universiteit naar het effect van glucosamine op heupartrose (de z.g. GOAL-studie; Glucosamine in Osteoarthritis: Longterm Effectiveness) dat werd gepubliceerd in Annals of Internal Medicine.5 Het ging om de eerste gerandomiseerde studie naar heupartrose. 222 patiënten met heupartrose werden geworven via hun huisarts en kregen twee jaar lang eenmaal daags óf 1500 mg glucosaminesulfaat óf een placebo. Na drie, twaalf en 24 maanden was er geen noemenswaardig verschil tussen de twee groepen te zien wat betreft pijn, functieverlies of afname van gewrichtsruimte op röntgenfoto’s. De onderzoekers concludeerden op basis hiervan dat glucosamine geen effect heeft bij heupartrose. Volgens reumatoloog dr. Bijlsma in een commentaar in hetzelfde tijdschrift, zijn uit deze studie echter ook andere conclusies te trekken. Meer dan de helft van de patiënten hadden naast heupartrose ook artrose in andere gewrichten (gegeneraliseerde artrose). In deze subgroep waren positievere effecten van glucosamine te zien. Conclusie, ook op basis van andere onderzoeken, zou kunnen zijn dat glucosamine vooral effect heeft bij artrose in andere gewrichten dan de heup en dan met name de knie. Bij knieartrose spelen ontstekingen een grotere rol dan bij heupartrose. Aangenomen wordt dat glucosamine vooral effect heeft op het ontstekingen bij artrose. Dit zou kunnen verklaren waarom glucosamine vooral effectief is bij artrose in de knie. Belangrijke uitkomstmaten in de studie waren de mate van kraakbeenverlies dat te zien was op röntgenfoto’s. Omdat een groot deel van de patiënten matige artroseklachten hadden, verliep het verlies van kraakbeen relatief langzaam. Het verschil in verlies van kraakbeen tussen de placebo- en glucosaminegroep voldeed daarom niet aan de gestelde criteria. Dit was mogelijk anders geweest als het om patiënten met ernstige artrose was gegaan. Het effect van glucosamine was dan duidelijker te zien geweest. De GOAL-studie geeft aan dat glucosamine geen effect heeft bij beginnende heupartrose. Om conclusies te trekken over het effect van glucosamine op heupartrose in het algemeen, is een grotere en langere studie nodig met een andere patiëntengroep. Kortom, de symptomen, de rol van ontstekingen en de respons op therapie zijn bij artrose erg wisselend en afhankelijk van welke gewrichten zijn aangedaan. De rol van glucosamine daarbinnen is nog steeds niet helemaal duidelijk. Vanwege deze verschillen en het chronische karakter, blijven studies naar artrose lastig en moeten betere meetinstrumenten worden ontwikkeld.
Een ander recente studie naar glucosamine is de zogenaamde GAIT-studie, gepubliceerd in de New England Journal of Medicine in 2006.6 Hierbij is gebruik gemaakt van een glucosamine-hydrochloride verbinding en van chondroïtinesulfaat. De studie vond geen significant effect van glucosamine en chondroitine op pijn in de knie bij artrose. Wel zou een sub-groep van mensen met veel pijn in de knie aanzienlijke verbetering ondervinden bij een combinatie van glucosaminehydrochloride en chondroitinesulfaat. Natuurgeneeskundige Fleur Kortekaas bespreekt wat haar inziens de tekortkomingen van de studie zijn.10 Ten eerste is er gebruik gemaakt van glucosaminehydrochloride in plaats van het veel beter onderzochte glucosaminesulfaat. Volgens haar wijzen de resultaten van de eerder genoemde meta-analyse van Towheed er op dat het effect van glucosaminesulfaat groter is dan dat van glucosaminehydrochloride. Ten tweede laat de GAIT studie een opvallend groot placebo effect zien. De vraag is waar dit effect vandaan komt. Het Geneesmiddelenbulletin (Gebu) besprak ook de GAIT studie.8 Gebu ontkent de voordelen van glucosamine voor artrosepatiënten op basis van deze studie. Ze neemt de conclusies van de GAIT studie over en acht verder onderzoek wenselijk.
Een studie uit 2001 gepubliceerd in de Lancet onderzocht de effecten van glucosaminesulfaat op gewrichtsvernauwing.9 Patiënten die drie jaar lang glucosaminesulfaat gebruikten, ondervonden geen significante vernauwing in het gewricht, terwijl de placebogroep een gemiddelde vernauwing van 0,31 mm vertoonde.
Literatuurlijst 1. Timothy E McAlindon, Michael P LaVAlley, Juan P Gulin, David T Felson (2000). glucosamine and chondroitin for treatment of osteoarthritis. JAMA, 283(11), 1469-1475. 2. Florent Richy, Olivier Bruyere, Olivier Ethgen, Michel Cucherat (2003). Structural and symptomatic efficacy of glucosamine and chondroitin in knee osteoarthritis. Archives of Internal Medicine, 163, 1514-1522. 3. Towheed TE, Maxwell L, Anastassiades TP, Shea B, Houpt J, Robinson V, Hochberg MC, Wells G. (2005). Glucosamine therapy for treating osteoarthritis.. Cochrane Database Syst Rev (2) 4. Towheed, TE, Anastassiases, T. (2007) Glucosamine Therapy for Osteoarthritis: An Update. Journal of Rheumatology 34(9): 1787-90 5. Rozendaal Rianne M, Bart W. Koes, Gerjo J.V.M. van Osch, Elian J. Uitterlinden, Eric H. Garling, Sten P. Willemsen, Abida Z. Ginai, Jan A.N. Verhaar, Harrie Weinans, Sita M.A. Bierma-Zeinstra (2008) Effect of Glucosamine Sulphate on Hip Osteoarthritis. Annals of Internal Medicine, 148, 268-278. 6. Daniel O Clegg, Domenic J Reda, Crystal L Harris, et al (2006). Glucosamine, chondroitin sulfate, and the two in combination for painful knee osteoarthritis. NJEM, 354(8), 795-808. 7. drs B.J.F. van den Bemt en prof. dr J.J. Rasker (2005). Glucosamine en chondroïtine bij artrose. Gebu, 39, 61-66. 8. dr AJFA Kerst (2006). Glucosamine en chondroitine bij artrose. Gebu, 40, 107-108. 9. Jean Yves Reginster, Rita Deroisy, Lucio C Rovati, Richard L Lee et al (2001). Long-term effects of glucosamine sulphate on osteoarthritis progression: a randomised, placebo-controlled clinical trial. The Lancet, 357, 251-256. 10. Fleur Kortekaas (2006). Glucosamine en chondroitine bij artrose. Folia Orthica 1. 11. Jordan et al (2003). EULAR recommendations 2003. Ann Rheum Dis 62: 1145-1155.
|
|

